De laatste roman van Kees van Beijnum is een raamvertelling waarin hij het leven beschrijft van Teun als kind en als volwassene. Zijn huidige leven verloopt moeizaam. Zijn werk als verkoper van kopieerapparatuur bevalt hem slecht en zijn huwelijk stelt weinig voor.
Een groot deel van het verhaal vertelt over de jeugd van Teun. Hij groeit op in een gezin van ‘buitenstaanders’: van Amsterdan zijn zij verhuisd naar Wieringen. Zijn ouders ontplooien veel activiteiten in de vredesbeweging en Teun en zijn oudere broer Hans moeten meedoen. Dat maakt hen ongrijpbaar voor de plaatselijke bevolking.
Al vroeg in het verhaal komen we te weten dat Hans niet meer leeft, maar pas aan het einde komen we te weten hoe hij is overleden.
Wat mij vooral aanspreekt zijn de beschrijvingen van de saamhorigheid tussen de twee broers. Alles wat zij samen ondernemen en ondergaan aan pesterijen op school. De ouders zijn weldenkende, bewust levende mensen. Toch zien zij niet dat zij hun zoons dwingen mee te gaan in hun denkbeelden en wat dat betekent voor het leven van Teun en Hans.
- Informatie over Kees van Beijnum
- Heeft uw bibliotheek Een soort familie?
